HET GODDELIJK GEHEIM

Waarom gelooft u in God?
Nu scherper: stel aan uzelf (aan jezelf) eens de vraag: waarom geloof ik in God?
(-) Omdat ik het geloof van huis uit heb meegekregen.
    Dat is geen antwoord. Dat zegt alleen maar waardoor ik geloof.
(-) Omdat alles niet ‘zomaar’ ontstaan kan zijn.
    Dat lijkt een antwoord. Stevig is het niet. Er zijn veel meer verklaringen voor
    het ontstaan van alles. Verklaringen met natuurwetenschappelijke bewijs-
    kracht. Geen verklaring is volmaakt. ‘Tot het gaatje gaan’ is niet mogelijk.
    Niemand kan achter de Oerknal kijken. Zoals niemand God onomstotelijk kan       
    ‘bewijzen’.
(-) Omdat ik God ‘voel’. God is geen zaak van verstand. God is iets van het hart,   
    van mijn gevoel. Mijn gevoel verwijst mij naar God.
    En als je gevoel omslaat? Als je een vreselijke ervaring moet doorleven?
    Blijft God dan? Of gooi je Hem samen met de van tranen doordrenkte papie-
    ren zakdoekjes in de restzak?
(-) Omdat zonder een God die uiteindelijk recht doet aan allen en alles de rot- 
    zakken aan het langste eind zouden trekken. Dan zouden de geboren kanslozen
    nooit tot hun recht komen. Dan zouden de brutalen niet de halve maar de
    hele wereld hebben.
    Hm. Geen beroerd argument. Maar makkelijk te ontkrachten. Bijvoorbeeld
    door de opmerking ‘Daar heb ik God niet voor nodig. Dat moeten wij, mensen, 
    zelf doen. Door te kiezen voor een rechtvaardiger verdeling van goederen, van
    voedsel, van macht. Wat heeft een hiernamaals, wat heeft God daarmee te
    maken? Wíj moeten recht doen aan’.
Nou, pastoor, nou wordt het toch tijd dat jíj eens gaat zeggen waarom jíj gelooft in God. Jij houdt zo gemakkelijk allerlei opgegeven redenen tegen het licht, en kamt ze vervolgens af; wat heb jíj in huis? Waarom geloof jíj in God?
Tja, Waarom geloof ik in God?
Laat ik het zó zeggen: Over God kan ik niet praten op een manier die iets te maken heeft met het idee van ‘nodig hebben’. Zoals ik niet over mijn ouders kan praten in de zin van ‘nodig hebben’. Ik gelóóf in de liefde tussen mijn ouders, ik gelóóf dat ik uit die liefde ben voortgekomen en ik gelóóf in de liefde die ze mij toedroegen. Bewijzen kan ik die liefde niet. Er over praten evenmin. Ik wàs midden in die liefde, die was de adem. de zuurstof vàn en ìn alles wat je als kind beleeft, die was een vóórgegeven. Als je de liefde moet bepràten is ze al dood.
En zo is het met de relatie die een mens in zijn/haar levensgang doorleeft.‘
Ook die kun je niet vatten onder het kopje ‘nodig hebben’. Je treft jezelf als ‘liefhebbend’ aan; liefde ontwikkelt zich niet automatisch uit de perfecte, de
‘matchende’ date.
En zó is het ook met het goddelijk geheim.
Niet voor niets noemt Johannes ‘God’: ‘de Liefde’. Liefde beredeneer je niet. 
Liefde hoef je ook niet op te kloppen door uitbarstingen van gevoel.  Liefde is als ademhalen. Liefde is in, om, onder je, en boven je.
Zó is het, maar dan in een overtreffende mate, met God. Hij zit niet in een grot of op een bergtop of in een tabernakel verscholen. Hij is ín alles en Hij omvat alles.
Maar juist daarom is het goed om zichtbare tekenen van zijn presentie te eerbiedigen: zoals de grot te Lourdes, zoals de berg Horeb in de Siani, zoals het tabernakel in iedere kerk. Dan weet ik weer even wat van alles en van allen, en ook van mijn povere zelf het diepste geheim is.
Dàt is mijn geloof.
Zonder dat kan ik niet.
Nu, sterker: zonder dat bèn ik niet.
Daaraan heb ik niets te willen.

                                                                                                                                             A. van den Berg

 

mei2019.jpg

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
JEZUS HUILDE
(Passiezondag 2018)
Soms, nou, eigenlijk dikwijls, word je door een overzicht van iemands levensloop geconfronteerd met zo’n hevigheid van feiten dat je denkt: hoe heeft iemand, hoe hebben mensen daarmee kunnen leven? Ik put uit een recente ervaring. Twee mensen krijgen in totaal zes kinderen, onder wie een tweeling. Die tweeling is kort na de geboorte overleden, maar heeft lang genoeg geleefd om namen te hebben ontvangen. Bij de jongste van die zes nakomelingen, een meisje, wordt op 14-jarige leeftijd een vorm van botkanker geconstateerd met dewelke zij een
lijdensweg van ruim veertig jaren aflegt. En zij is bepaald geen tamme paiënte; zij reageert met de heftigheid van haar dynamische natuur op wat haar overkomt, menigmaal op het bruuske af. Wie zal het haar euvel duiden? Maar gemakkelijk was het allemaal niet.
Krijgt het mensenhart dan niet de impuls om te roepen: God, waar bent U nu? Waar moet ik U zoeken? Laat U zich vinden?
Palmzondag en Goede Vrijdag zeggen het ons onomwonden: aan het kruis. Daar laat God in zijn Zoon zien dat Hij zijn schouders zet onder ons bestaan, en dat Hij in en met ons meevecht tegen ziekte en ondergang en dood, en dat die strijd de hele kosmos aangaat, en dat die kosmische strijd nog lang niet uitgestreden is, maar duren zal tot de jongste dag. Onze tranen zijn de zijne: daarom is het kortste zinnetje uit de Heilige Schrift: ‘Jezus huilde’ het zinnetje dat de meestomvattende inhoud heeft. Van welke aard uw, jouw kruis ook is - God draagt het in jou, met jou, voor jou.
 Je ziet het in onze kerken, de eeuwen door. Twee afbeeldingen van Christus zijn aan alle gelovigen dierbaar. In het vroege christendom is dat het beeld van de Jonge Herder met het weggelopen lam op zijn schouders.
Later, als Christus ook in de kunst zijn kruis beklimt, wordt dat het crucifix: de Man van Smarten, de Koning, gekroond met doornen, de Koning die met zijn kleren ook zijn macht heeft afgelegd: ‘Anderen heeft hij geholpen, maar zich zelf kan hij niet helpen’, roept de Sadducese tempelkliek onder het kruis.
Maar juist doordat Hij weigert zichzelf te helpen kan de Mens aan het kruis ons zien en raken, juist als geen mens mijn hulpeloosheid ziet.
Jezus: leer ons U te zien, als het erop aan gaat komen.
Want,
  ‘Jezus, als ik U aanschouw,
 dan lééft weer dat ik van U houd.’
              A. van den Berg
fotoparochieblad mrt2 2019.jpg
 
 
 
 
WAT IS GELOVEN?
‘Ik ben bang. Bang voor het niets’.
Het staat er. Opgetekend uit de mond van een babyboomer. Een politicoloog van naam en een journalist die decennia lang aan de poort van het nieuws vertoefde om dit zoveel mogelijk van waan te zuiveren.
Een jaar geleden hoorde hij zijn vonnis. Kanker aan de alvleesklier. Hij onderging een grote, als zwaar ervaren operatie, gevolgd door een chemokuur die evenmin meeviel. De kanker leek het veld te ruimen. Afgelopen december bleek de tumor terug. Hij is nog niet groter gegroeid. Weer chemo? En welke kan nog effect scoren?
En nu dus deze woorden:
‘Ik ben bang. Bang voor het niets’.
Eindelijk een eerlijke babyboomer. Eentje die zijn doodsangst niet overbluft.
Die durft te zeggen dat hij bang is, en blij zou zijn met een houvast. Iemand die zijn blootheid niet verhult met het vijgeblad van ‘kom, we nemen er nog eentje, het is al bijna carnaval’.
Bij dit alles geeft hij aan dat hij niet gelooft. In zoverre is hij toch weer een wasechte babyboomer.
Ik noem mij wel gelovig. Maar zijn woorden zouden de mijne kunnen zijn. Ook ik ben bang, en niet voor dit of dat of voor deze of gene; nee ook ik ben bang voor het niets.
‘Maar je gelooft!’ werpt menigeen onder u mij nu, minstens inwendig, tegen.
Ja, maar betekent ‘geloven’ dat je de angst voor het niets niet voelt?
Integendeel. Als een mens eerlijk bij zich zelf naar binnen kijkt, scheert hij/zij rakelings langs het niets. De leegte. Het sterfhuis waarin de wereld om je heen meer en meer lijkt te veranderen als je de zeventig bent gepasseerd.
En je kunt de dood, het sterven verbloemen door in een afscheidsviering uitvoerig in het familiealbum te gaan bladeren en zo het beeld te creëren van een mooi, vervuld en voltooid leven - maar ik kan u verzekeren: sterven schrijnt, de dood 
is leeg, en alle verbloeming is binnen zes weken verlept, verslakkerd.
De eerlijke woorden keren terug: ‘Ik ben bang. Bang voor het niets’.
‘Waarom geloof je dan? Wat gééft jou het geloof? Nee, sterker: wat ìs jouw geloof?’
Wat ìs mijn geloof?
Ja, wàt is mijn geloof.... Dat ik nooit alleen ben, en nooit alleen zal zijn. Gek gezegd, voor iemand die een fors deel van het etmaal alleen leeft.
Maar dàt is mijn geloof: dat Iemand mij altijd vergezelt. Dat die Iemand er was voor aleer ik of wie dan ook bestond; en dat die Iemand er zal zijn wanneer de laatste adem vantussen mijn lippen vervliegt. Die Iemand was er temidden van het uitbundigste feest, die Iemand was er in het intiemste samenzijn, die Iemand was er in poolkoude eenzaamheid maar evenzeer in de koestering van een wezenlijk contact.
Kortom: in alle facetten van het bestaan.
En ik geloof dat die Iemand mijn metgezel zal zijn als het donker van het niets op mij toekomt.
En dat die Iemand mij kent en doorgrondt, juist dan. En dat dàt het einde betekent van alle bangheid.
En nu, hier, mag ik die Iemand ervaren. Niet alleen in woorden en in namen, maar ook, en het sterkst, in zijn handeling, in de liefdesdaad van het Brood en de Wijn, waarin die Iemand vlees van mijn vlees en bloed van mijn bloed wordt, en vice versa.
Het niets is voorgoed vervuld.
Niet van iets, maar van Iemand.
Zie zijn open armen.
En proef Hem in zijn liefde.
En wees niet bang.
A. van den Berg
fotoparochieblad mrt 2019.jpg
 
 
DOOP VAN DE HEER
Een mens kan nog zo godgeleerd zijn, zelfs een titel in de theologie voeren, en er toch een simplistisch godsbeeld op na houden. Een collega van mij die kanker heeft (dat zijn er inmiddels ettelijke!) zei, terwijl hij voor mij in glasheldere termen de medische stand van zaken  samenvatte: ‘Tja, en als het niet meer gaat dan is er nog geen man overboord. Dan zijn we blij dat we de gever van al die cadeautjes gaan ontmoeten’. Doordat hij erg kort is, klonk de erop volgende lach nogal hees en hijgerig. Iets tè. Alsof er een heel andere gestemdheid overbluft moest worden.
Ik wilde zijn woorden respecteren, niét ter discussie stellen; maar ik dacht bij mezelf: ‘Gever? Cadeautjes? Sinterklaas? Dan wel een heel selectieve Sinterklaas die hele continenten links laat liggen. En ook in het rijke Westen heel wat huisjes stilletjes voorbij rijdt. God als gever van goede gaven - dat beeld kan jou alleen maar wat zeggen wanneer je je leven lang hebt mogen eten uit de korf zonder zorg’.
Maar als dit beeld hem helpt - laat hem. Ik ben alleen bang dat dit beeld aan scherven valt als die sluipende ziekte hem genadeloos begint te slopen....
Nu een ander godsbeeld. Het volkomen tegengestelde. God als boeman. Als degene die wezenlijk woedend op ons is en voortdurend wraak op ons wil nemen.
Die ons vooral het genieten misgunt. Wiens straffende hand en arm tegengehouden moeten worden.
Volgens sommige opgeld doende visioenen doet Maria dat. Die wrekende arm tegenhouden. Maar voor hoelang nog? De zweetdruppels van heilige stress parelen op haar voorhoofd. Alsof het nooit 24 december of 15 augustus geweest is. God als een verterend vuur, een brandende oven van toorn, een olympische dolleman....
Het feest van vandaag toont ons een totaal andere God. Een God die niet als de grote Afrekenaar tegenover het mensdom troont, maar, integendeel, een God die aansluit in de rij van mensen die een nieuw begin willen maken. Mensen die hun sandalen door Johannes de Doper laten losmaken om blootsvoets in het gelid
van de boetelingen te gaan staan. Een God die zich niet torenhoog boven de zondaar plaatst, maar juist een God die midden tussen dat bonte zootje ongeregeld wacht op zijn beurt om in het water kopje onder te gaan, neergeduwd door de harige handen van Johannes, de Heraut.
In het water.... In wat voor water! Het water dat troebel is geworden door ons menselijk falen. Het afwaswater van de menselijke geschiedenis - en, voorwaar!,
dit water is zo vies dat zelfs dreft daarin zijn kracht verliest....
Maar Hij schrikt er niet voor terug. Hij is niet vies van ons vuil, onze zwakheid, onze streken, onze ontrouw. Hij dompelt zich erin onder. Ook Hij vraagt vergeving. Je kunt van God veel zeggen, maar als Hij iets doet, méént Hij het. Hij is geen comediant. Geen Himmelskomiker.
Juist zó, oprecht in de rij van boetelingen, kan Hij de nieuwe weg tot het leven, tot het licht, inslaan. Zelf ook nieuw. Maar een wasechte mens. Iemand die ons kan volgen in onze dromen, onze verlangens, onze idealen. En in onze frustratie, onze teleurstelling. De vraag is: kunnen wij Hem volgen in zíjn droom, zíjn verlangen, zíjn ideaal? En in zíjn frustratie, zíjn teleurstelling?
Is zijn weg volhoudbaar, ook in de grauwe schijn van januari?
Of dooft, met de Kerstster, ook ons Licht?
                                                                                                                                         A. van den Berg
 
 
 
 
HAT ER SICH VERLAUFEN WIE EIN KIND?
 
In deze nacht ga ik iets doen wat tot dusverre niet in mijn hoofd opkwam.
Ik wil, temidden van u allen, praten met het Kind.
Met Hem daar, in die voederbak. Met de boreling in stro en in doeken.
Ik praat vaker in het openbaar met mensen - dat kent u wel van mij. Als een kleintje wordt gedoopt, neem ik haar of hem op de arm en vertel het evangelie van Jezus die niet toestaat dat volwassenen met hun gewicht kinderen verdringen bij de ingang van het Rijk van zijn Vader. Soms kijkt die baby me onderwijl met wijdopen ogen aan, alsof hij het verhaal indrinkt. Soms grijpt hij met kracht mijn mond alsof hij wil kijken waar die woorden vandaan komen. En soms ligt hij zalig te te dutten of rood aan te lopen bij het verrichten van een voor menselijke lichamen noodzakelijke functie. Hij mag dat nog, op alle denkbare tijden en plaatsen....
Als twee aan elkaar gepaarde mensen hun rechterhanden vervlechten voor het Aangezicht van God, en beloven dat zij elkaar zullen liefhebben en in hun eigenheid waarderen, dan voer ik met hen een gesprek dat naar hun eigenheid en hun verbondenheid reikt.
En wanneer het uur slaat waarin het leven van een mens aan de avond is gekomen; wanneer een mens voor het laatst lijfelijk in ons midden is, en wij het ‘Reqiuem aeternam’  hebben aangestemd, dan wil ik niet preken over de overledene, maar dan heb ik iets te zeggen tot haar of hem.
Gáát dat, over de grens van onze waarneming heen?
Die vraag kun je stellen in een uitvaartmis; maar die vraag klemt even sterk, zo niet sterker, in deze nacht. Kan ik ruim tweeduizend jaren overspannen? Kan ik met het Kind praten alsof ik met Hem geknikkerd heb?
Nee, dat kan ik niet. Dat hoef ik ook niet. Het evangelie is geen geschiedenis en ons geloof is geen historische roman. Nou, nou, kalm aan, zult u denken: ‘ons’ geloof. Zeg nou maar eens wat uw geloof is. Mijn geloof.... Nou moet ik, net als God Zelf wanneer Hij door Maria wordt verschoond, met de billen bloot - zij het in figuurlijke zin. Mijn geloof - mijn geloof is een gesprek.
Een gesprek dat God begonnen is toen Hij mij tot leven riep. Maar sinds ik kan praten wordt Hij steeds zwijgzamer. En vanaf mijn jaren des onderscheids trad een stilte in, en krijg ik af en toe, heel even, contact met Hem als ik zelf ook eens echt stil kan worden. Maar dat lukt mij maar zelden. Meestentijds dreunt de stilte van over elkaar tuimelende gedachten, gezegden, situaties.
In deze nacht wordt het geen stil gesprek. In deze nacht moet ik naar woorden zoeken. Naar woorden die nog iets echts hebben.
Zal ik het Kind tutoyeren? Het is nog zo klein. Maar het is God, en ik heb geleerd tegen God ‘Gij’ en ‘U’ te zeggen. En ik ben geen Brabander. ‘Gij’ en ‘U’ behelzen voor mij wel intimiteit, maar niet op hetzelfde niveau. Ik moet bukken. Ik moet op de knieën om met het Kind te kunnen praten. Daar gaan we dan:
Jezus - U ligt daar als Maria’s baby, maar U kent mij langer en inniger dan welke volwassene ook. U ken mij inniger dan hen uit wie ik geboren ben. U kent mij inniger dan ik mijzelf ken. U was al mijn reisgenoot toen mijn levensreis nog moest beginnen. En U zult er zijn als alle andere handen mij moeten loslaten. Jezus - dat te denken, dat te zeggen geeft me warmte. En die heb ik nodig. Die hebben wij allemaal, met zovelen als we hier vannacht zijn, nodig. Want we zitten hier gezellig en we zitten hier oké, maar we zijn zoveel van onze onbevangenheid, van het kind dat in ons zo oprecht kon verlangen, kwijtgeraakt. Dat kind hebben we met het badwater van bewustwording en bewustmaking weggegooid. En het ontroert ons, God, anders zaten we hier niet, het ontroert ons U hier in deze nacht te hervinden als een Kind dat wil praten met het kind in ons.
Er was in de 19e eeuw een denker die tenonderging doordat hij niet meer terug kon achter zijn volwassenheid. Hij schrijft over een man die in de klaarlichte voormiddag met een lantaarn rondloopt, terwijl hij uitroept: ‘Ich suche Gott’. Men lacht. Iemand vraagt: ‘Ist er denn verloren gegangen?’ En een ander zegt: ‘Hat er sich verlaufen wie ein Kind?’.
Ja, antwoordt mijn geloof: Hij is verdwaald als een Kind, omdat Hij wilde verdwalen op zoek naar het kind in ons.
Hij ligt hier, kwetsbaar en klein, opdat ik in mijn kwetsuren en mijn momenten dat ik me verdomd klein voel, Iemand heb met Wie ik, ook zonder woorden, van hart tot hart kan praten.
                                                                                                                                              A. van den Berg
 
CHRISTUS KONING
Ik heb een vader gekend met vijf kinderen. De oudste en de jongste waren
jongens, tussen die twee hadden drie meisjes het levenslicht gezien.
In de jaren vijftig heette dit een ‘schoon rooms gezin’, van gemiddelde omvang.
Hij voedde zijn kinderen op met een innerlijk geloof dat werd gevoed vanuit de klassieke vormen van de katholieke liturgie. In de stad waar hij woonde, Nijmegen, toen nog gesierd met de bijnaam ‘Monnikendam aan de Waal’, bestond daartoe alle gelegenheid. Op het feest van Christus Koning wandelde hij met zijn kinderen naar het Lof. Als zij daarna buiten liepen maakte hij van de gelegenheid gebruik om tegen het kind dat daaraan toe was, zachtjes te vertellen dat Sinterklaas niet bestond maar dat dit feest de mogelijkheid bood om elkaar met een attentie te bedenken en in het bijgevoegde gedicht een spiegel voor te houden. Vervolgens beklemtoonde hij dat het koningschap van Christus alle tijden, alle plaatsen, alle mensen en alle facetten van het leven omvatte. Een koningschap, niet bedoeld als tyrannie maar als roep tot leven.
Toen ik, vele jaren nadien, van deze wandelingen in de namiddag van de Christus Koning zondag hoorde, vond ik de combinatie wèlgekozen: het niet bestaan van Sinterklaas en het tot waarachtig menszijn oproepen van Christus Koning - het feest dat immers voor het eerst is gevierd in 1925: een tijd waarin Europa meer en meer verslingerd raakte aan dictaturen van min of meer (vooral meer) rechtse snit, in reactie op het Rode Gevaar dat concreet werd belichaamd door de Communistische Internationale, geleid door de Unie van Socialistische Sovjet Republieken - in de wandeling Rusland genaamd.
Jezus Christus en zijn Koninkrijk waren natuurlijk geen partij in deze tegenstelling maar bedoeld als verzoenende overkoepeling, die uit moest stijgen boven alle ideologieën en alle klassenstrijd. In de jaren vijftig, toen de vader voornoemd met zijn kinderen langs de Waal wandelde, werd Europa in tweeën gedeeld door de Koude Oorlog. Wij bevonden ons aan de Anglo-Amerikaanse kant, Midden- en Oost-Europa zuchtten onder het juk van Sovjet-Rusland. De positie van Koning Christus was glashelder: Hij troonde boven alle partijen, maar zijn Rijk ondervond, dachten wij, in het Westen minder weerstand dan in het Oosten.
En nu? Ruim zestig jaren later?
Nu de schrik voor het globale maakt dat men de eigen regio en, in het verlengde daarvan, de eigen natie gaat verheerlijken?
Nu de mensen het virtuele leven (internet, smartphone) meer en meer gaan stellen boven de realiteit van met elkaar spreken van aangezicht tot aangezicht?
Nu binnen de Westerse cultuur alle ‘grote verhalen’ in het museum zijn bijgezet?
Nu echter de Derde Religie uit het morgenland in enorme mate in Europa infiltreert, ons niet helemaal zonder aanleiding voor decadent uitmaakt, en ons confronteert met een Allah die duidelijk meer met de Dood dan met het Leven heeft? Wiens strijders de Dood verheerlijken, niet slechts voor henzelf maar vooral voor de andersgelovenden die zij wensen te slachten?
Wat zou die vader, als hij nog leefde, nú tijdens de wandeling langs de Waal moeten zeggen?
Zou hij moeten beamen wat bon ton is in ‘verlichte’ kring: ‘Religie is een gevaar. Religie is bovendien achterlijk, een overblijfsel uit de kindertijd der mensheid. Zoals Sinterklaas niet bestaat, zo bestaat God evenmin. Er is geen Stem die van buiten de kosmos tot ons spreekt; er is geen Antwoorder die op ons roepen vanuit de kosmos reageert. Je moet ’het’ zèlf doen. Religie, Godsdienst is zelfbedrog!’ ?
Nee. Innerlijke leegte (die zou van dit alles het gevolg zijn) is nog erger dan fanatisme. Innerlijke leegte kweekt beulen en Sonderkommando’s.
Die vader zou iets heel anders kunnen zeggen. Bij voorbeeld dit:
‘In de Middeleeuwen was er een schilder in Haarlem. Hij vond zijn eigen naam zo onbelangrijk dat hij die niet onderaan zijn schilderijen zette. We noemen hem daarom ‘de Meester van Haarlem’. Hij heeft onder andere een serie schilderijen gemaakt over het evangelie van vandaag:
1. de hongerigen voeden; 2. de dorstigen laven; 3. de vreemdeling opnemen;
4. de naakten kleden; 5. de zieken bezoeken; 6. de gevangenen opzoeken.
Op elk van die schilderijen staat, temidden van de daarop afgebeelden, een man met een stil gezicht. Hij kijkt ons, kijkers, in de ogen. Hij dringt niet aan om aan de beurt te komen. In hen, in de dorstige, de hongerende, de zieke, de gevangene, enz. kòmt Hij al aan de beurt.
Hij, die Man opzij, met dat stille gezicht: Hij is Christus Koning’.
Medegelovigen, medezoekers naar het Geheim van God: in onze moerasdelta aan de zee wordt veel uitgekraamd en veel misgekleund, en viert de botheid menigmaal hoogtij.
Maar sommige dingen, en juist de dingen die te maken hebben met de Tederheid Gods, zijn bijna nergens zo mooi verbeeld als bij ons.
God hebbe de ziel van die vader....
 
A. van den Berg
NAAR WIE ZOUDEN WIJ GAAN?
 
Het was in 1975, in het voorjaar. Sinds 1972 beschouwde ik mijzelf als katholiserend: ik ging ieder weekeinde naar een h. mis en ik verdiepte mij al lezend in het katholieke geloof. (Het complete fonds van katholieke uitgevers als Paul Brand, het Spectrum en Romen lag bij de Slegte in de ramsj, dus was er aan katholieke theologische lectuur en aan oude missaaltjes geen gebrek.) Op een avond na een voorspeelavond in het groninger conservatorium zat ik met enkele vrienden op het gemak te tanken in een der talrijke kapellen van de h. horeca. Er voegde zich bij ons gezelschap een jongen die we wel vaker troffen. Hij speelde uitzonderlijk muzikaal piano, maar het ontbrak hem aan de discipline om zijn niet geringe talent echt uit te baten: hij was een gretig vereerder van de h. horeca, een gezelligheidsdier bij uitstek. Hij was van gegoede komaf: zijn voorouders waren Portugese Joden, uit het Iberisch schiereiland gevlucht voor de Spaanse Inquisitie, en in de zeventiende eeuw beland in de Nederlanden. Het ontbrak hem aan een economische prikkel om beroepsmatig iets van zijn leven te maken; en zoals gezegd: de h. horeca hoefde hem nauwelijks te lokken….
Hij was uiterst sympathiek en droeg het hart op de tong op een ontwapenende manier.
‘Wat hoor ik?’ lachte hij op de betreffende avond: ‘Ben jij bezig katholiek te worden? Jij? Met je voorliefde voor liedjes van Kurt Weill en Tucholsky?’ Ik knikte. ‘Hoe kom je daarbij? Ja, ik heb respect voor ieders geloof, daar niet van; maar van de katholieke kerk hebben mijn voorouders nogal wat ondervonden – stem je daar dan mee in?’
Ik schudde van nee. ‘Nee natuurlijk’, vervolgde hij: ‘Maar hoe kun je dan bij zo’n club gaan, die zulke dingen op haar geweten heeft?’
Ik antwoorde: ‘Ik geloof dat God mens is geworden midden in onze menselijke geschiedenis. Een geschiedenis die bepaald niet zuiver is, of mooi, of verheffend.
Waarin grote misdaden zijn gepleegd. Van alle kerken die er zijn draait de Catholica het langste mee. Zij heeft dus ook veruit de meeste misdaden gepleegd of misstappen begaan. Zij bevat, de eeuwen door, heiligen en schurken. God schuwt niets als Hij mens wordt. Dat is geen vrijbrief om maar je gang te gaan,
dat is een feit van het geloof. Dus als je díe aspecten van de kerkgeschiedenis niet aanvaardt, dan aanvaard je het leven niet. Het leven is geen zondagsschool’.
‘Amen’, lachte hij. ‘Zo kun je het ook bekijken’, vervolgde hij. ‘Maar we blijven vrienden, hè?’ ’Natuurlijk’, antwoordde ik. Hij liep naar de piano die op dat moment door niemand bespeeld werd en hij sloeg een melodie aan uit de Dreigroschenoper: de Ballade von der sexuellen Hörigkeit. Ik zette meteen de eerste regel in. Hij lachte weer: ‘Dit verleer je niet, hè?’ ‘Nooit’, gaf ik terug.
Ja, medezoekers naar God in ons eigen menszijn: ik ken die liedjes nog en ik zing ze menigmaal onder de douche of tijdens de afwas.
Maar ik denk juist dezer dagen, en u begrijpt wel waarom, terug aan mijn verdedigende woorden, toen, aan de vooravond van mijn katholiek-worden, over de katholieke kerk.
‘God schuwt niets als Hij mens wordt.’ Hij neemt het besmeurde gelaat van de Kerk voor lief.
Geloof ik dat nog?
Of wil ik ook maar liever heengaan?
Heer Jezus, Man van smarten, ik zie U in het gezicht. Er is voor mij geen ander gezicht dan het Uwe. Van U houd ik; en daar komt niemand tussen: geen confrater, geen bisschop, geen kardinaal, geen paus. Als zij uw woord spreken en uw werk doen, zal ik hen eerbiedigen en gehoor geven.
Maar niemand kan uw gezicht en uw blik vervangen. Dat was zo in 1975, en dat is zo gebleven tot op deze dag. En het blijft zo.
 
HERKOMST EN TOEKOMST
 
Bij de gedachtenis van Joachim en Anna, Jezus’ opa en oma van moederszijde, is het goed om rugwaarts tekijken - naar je herkomst.
Wij zitten of staan op de schouders van onze ouders. Mijn generatie, die van de babyboomers, wilde en wil dat niet altijd weten. Meestal hebben zij meer en lander gestudeerd, en koesteren zij de illusie dat hun geestelijk plafond aanmerkelijk hoger ligt dan dat van hun ouders. En hun geestelijke horizon vertoont, naar hun eigen idee, veel meer flexibiliteit. Zij hebben de dag en vooral de nacht leren plukken. Denken zij. Neem zoiets als de seksuele revolutie. Wat een verademing na die duffe jaren vijftig! Nee, alle respect voor de ouders van toen, en zij hebben het ontgetwijfeld allemaal goed bedoeld; maar wij zijn toch wel een paar etappes verder in de evolutie der mensheid....
O ja? Wat zijn dan wel onze nieuwe verworvenheden?
Waar bengelen de kroonjuwelen van onze voortgeschreden beschaving?
Is de eindeloze tyrannie van de digitale telecommunicatie, die je zelfs in kerk, concertzaal of operatheater nog achtervolgt, zo’n kroonjuweel?
Of de pappende obesitas van zovelen, van jong tot oud?
Of het feit dat het gewone gezin steeds meer plaats maakt voor het fusie-gezin?
Is het verdwijnen van een vast vormgegeven religieuze oriëntatie een verworvenheid? Is het geloof in een zinloos bestaan (want daar komt het atheïsme in zijn krasse vorm op neer) verstandelijk een noodzakelijke stap voorwaarts in de richting van het volwassen worden der mensheid?
Vertoefden onze ouders en voorouders in een kinderlijker phase?
Of zijn wij, zgn. verdergevorderde mensen, met onze letterlijk niets zeggende stille tochten, met ons massaal van anderen geleende verdriet c.q. woede, niet bezig onze innerlijke leegte te meubileren?
Zou het niet zo kunnen zijn dat wij, net als overbeweeglijke kinderen, van de schouders van onze ouders zijn gegleden en qua geestelijke oriëntatie in een primitiever stadium van de evolutie zijn beland? Zoals je een praehistorie hebt, kun je zo ook terugvallen in een praereligieuze geestessfeer?
Reikt het uitdijende atheïsme nog naar toekomst?  Of is ‘toekomst’ en zeker ‘uitkomst’ in de atheïstische visie net zo’n betekenisloos begrip als ‘zin van het bestaan’?
Onze ouders en voorouders kenden in elk geval meer rust, meer stilte, meer mogelijkheid om tot je zelf in te keren. Je werd als kind niet vrijwel ieder weekend in de auto geladen omdat je ouders hun sociale leven op peil moesten houden.
En je kreeg een besef van toekomst mee, het vertrouwen dat alles ooit zin zal krijgen. En daarom was verdriet, ook het verdriet wanneer je als jong kind een van je ouders verliest, nooit alleen maar dof en uitzichtloos. Het bleef niet steken in bloemen en monumenten. Alles had, en allen hadden toekomst, ook over de laatste horizon heen. Over flexibiliteit gesproken!
Ik dank op deze dag mijn ouders dat zij dat onuitroeibaar gebleken besef in mij hebben geplant.
 
ZIJN EIGEN ZELF
 
Een mens is méér dan de zoveelste uit een serie.
Iedere mens is eenmalig.
Wat maakt een mens uniek?
Het feit dat iedere mens diep in zich een eigen zelf behelst.
Vanaf haar/zijn bestaan - sterker nog: door haar/zijn bestaan ontvangt een mens de opdracht dat eigen zelf te vinden en te behouden.
Is dat een lichte opgave: je eigen zelf vinden?
Nee. De zoektocht naar het eigen zelf kent hinderpalen en dwaalwegen. De hinderpalen vermommen zich dikwijls als uiterlijk succes; de dwaalweg verschijnt maar al te vaak onder de flonkernaam ‘carrière’.
Pas als de hinderpalen zijn opgeruimd, de dwaalweg is verlaten, het eigen zelf is gevonden en wordt behouden, kan een mensleven voleindigd heten.
Of dit mensenleven kort of lang duurt, is een vraag van de tweede orde. Er zijn mensen die de honderd naderen en nog steeds de bekoring van de dwaalweg niet kunnen weerstaan. De wijsheid van het hart blijft hun verre. ‘The fever of life’ blijft hen verhitten.
En er zijn mensen die al jong tot hun eigen zelf geraken. En die, stevig verankerd in dat eigen zelf, hun leven leven - wat hun dit ook voorschotelt; èn hun dood sterven.
De Mensenzoon was dertig toen Hij tot zijn eigen zelf geraakte en, opklimmend uit het water van de Jordaan, zijn werkelijke weg voor zich zag: de weg naar Jeruzalem. Een heel kerkelijk jaar lang volgen wij Hem op die weg. Bepaald niet de weg van een carrière. Het wordt de weg van een gewelddadige dood, tengevolge van een gerechtelijke moord. Toch heet die weg: ‘de weg naar zijn verheffing’.
Goede Vrijdag: zijn kroningsdag. De koning die zijn ware troon bestijgt: het hout, het hout van een kruis. De Mensenzoon vertrouwt zijn eigen zelf toe aan de handen van zijn Vader, opdat het eigen zelf van iedere mens, van u en van mij, in Eeuwige Handen geborgen zal zijn.
Dáárom en dáártoe wordt Hij verwacht, groeit Hij als een van ons, in de schoot en onder het hart van zijn Moeder, en komt Hij in het donkerst van de mensennacht ter wereld als een baby die huilt en die lacht, die eet en die drinkt en zijn luier vult.
Onze Heer en onze God gaat tot in het nederigste detail onze weg. Hij is ons vlees en bloed.
Er is één verschil.
Hij slaat onze dwaalweg niet in. De flonkernaam ‘carrière’ bekoort Hem, maar krijgt Hem nimmer in zijn ban.
Jezus speelt God niet, Jezus is God.
Juist daarom kan Hij de echtste van alle mensen worden.
Moge onze menswording zich spiegelen aan de zijne. Dat zal onze zoektocht naar ons eigen zelf verdiepen en doen rijpen.
 
HERR JESU, SEI UNSER GAST
 
In Berlijn hangt een schilderij uit de negentiende eeuw dat als titel draagt:
‘Herr Jesu, sei unser Gast, und segne was du uns beschieden hast’.
Dat zijn de woorden van het evangelische tafelgebed. Op dat schilderij gaan die woorden in vervulling.
Een boerengezin is rond het warme eten verenigd als Jezus zelf binnentreedt om hun gast te zijn.
En?Zijn ze blij? Breiden ze de armen uit als teken van welkom? Schuift al iemand een stoel bij?
Haalt de vrouw des huizes een bord extra uit de kast? Niets van dat alles.
Het hoofd van het gezin, een man met een noest boerengezicht, staat op. Hij neemt zijn pet af. Hij kijkt Jezus
aan met iets van eerbied in zijn blik. Maar tegelijkertijd kijken zijn ogen zéér onderzoekend, vorsend. Wat betekent de komst van die Vreemdeling, die onverwachte Gast? De grootvader die bij het gezin inwoont, kijkt al evenmin uitnodigend, eerder een beetje leep. ‘Krijgen we dat weer. Pas op. Ik ken het leven’.
Ook de moeder, vrouw des huizes, die de opscheplepel al in de aanslag had maar deze boven de pan laat zweven, beziet Hem die binnenkomt met een mengeling van respect en argwaan. En lijkt ook te denken: ‘Als er dan maar genoeg is’.
De kinderen kijken als kinderen. Niet verschrikt (het zijn niet de overmatig gepamperde kleintjes die je hedentendage onmiddellijk herkent aan de huilerige afwijzendheid waarmee ze elke nieuweling opnemen). Nee, ze blikken de Gast eerder nieuwsgierig aan. Is dit Hem nou? Is dit de anders altijd onzichtbare Gast die ze in het tafelgebed vragen om hun Tafelgenoot te zijn?
De hond reageert niet op de binnenkomende, hij heeft onder de kast iets van zijn gading gevonden en occupeert zich daarmee.
‘Herr Jesu, sei unser Gast’....
‘Heer Jezus, schuif bij onze maaltijd aan’.
Maar wat zouden we raar opkijken als Hij dat inderdaad deed.
En zouden we Hem herkennen?
Want Hij komt niet als een hemelman in tot de voeten reikend gewaad, de haren
watergolvend tot op zijn schouders.
Hij komt ook niet in toog en met een romeinse boord om nek en hals.
Hij verschijnt evenmin in tenue de ville en met krawatte, als was hij onderweg naar een dikke nekken-festival.
Zal ik eens zeggen hoe Hij ooit bij mij aan de deur kwam?
Het was zomer. Ik had gasten. We zouden aan tafel gaan. Wéér die bel. Op dit vroege avonduur betekende dat meestal een bedelaar. Ik had er die week verschillende te woord gestaan. De laatste was een gladdekker van het troebelste water. Dankzij hem had ik het met degene die nu aanbelde bij voorbaat al helemaal gehad.
Ik beende naar de voordeur en rukte die bruusk open. Er sond een vrouw. Een beschaafde vrouw. Geen zwerfster.
‘Wat wilt u?’
‘Bent u de pastoor?’ (Ja hoor, daar gáán we weer!)
‘Ja’. Kortaf, bepaald niet inschikkelijk van toon.
‘Ik wilde u wat vragen’.
‘Ja, dat kennen we. Als het om geld gaat: daar doen we hier niet aan’.
Ze drong niet aan. Er trilde iets door haar gezicht. Toen daalde ze de trapjes af en ging heen.
Terwijk ik de deur sloot, realiseerde ik me dat ze niet had aangedrongen. En zag ik opnieuw die trilling door haar gezicht. ‘Die vrouw deed dit voor het eerst in haar leven’, dacht ik: ‘Dat was geen beroepsbedelares. Ik had haar moeten laten praten. Nou krijgt zij de koude douche die die gladdekker verdiend had’.
Ik trok de deur weer open, liep de tuin door, het Theresiaplein af tot aan de voorkant van de kerk. Maar nergens een spoor van haar.
Het zit me, na al die tijd, nog dwars. Die trilling door dat gezicht. Dat beschaamde zwijgen - dat voor mij nu nog beschamend werkt.
‘Herr Jesu, sei unser Gast’.
Zo’n zin glijdt zo boterzacht over je lippen.
Maar als Hij komt, is het altijd onverhoeds, en anders dan je verwacht. Wie verwacht de Herder in de gestalte van het geblesseerde Lam?
Tja. Wie verwacht de Koning hangend aan het hout?
A. van den Berg
 
HET BESMEURDE GELAAT
 
Witte Donderdag, ‘s avonds, om ongeveer acht uur.
Het kerkje in Belfort, het kerkje van St. Jozef: zo intiem als de bovenkamer waar Jij, Jezus, met de Twaalf voor het laatst het Paasmaal vierde.
Hoe zei Je het ook al weer, op die avond vóór jouw lijden en sterven? ‘Vurig heb ik ernaar verlangd dit Paasmaal met jullie te eten voordat Ik ga lijden’.
Je waste hun voeten, immers bedekt met het stof van de afgelegde weg. Het klusje voor de laagste slaaf. Maar Je ging verder. Je ging tot het uiterste. Tot het einde. Je reikte in het teken van het gebroken Brood Jouzelf uit aan hen, van wie Je wist dat zij je allen in de steek zouden laten, nog deze nacht; dat de vriend met de grootste mond Je zou verloochenen; en dat een der overigen Je zou verraden voor geld en met een kus. De laatste kus die Je zou krijgen vóór je dood. Je sloeg Judas niet over bij die allereerste Communie. En net als de anderen slokte hij van de wijn, door Jou aangeduid als Jouw hartebloed. Je ging tot het einde, inderdaad.
We hebben het gevierd, jouw laatste Avondmaal, jouw instelling van de Eucharistie; we bevonden ons in intieme kring, want de massa loopt deze avond jouw kerk voorbij. We waren nog altijd met meer dan twaalf; en er waren er meer dan andere jaren die van de priester de handen gewassen kregen.
En nu was het acht uur.
Het allerheiligste, Jouzelf, Jezus, in het teken van het Brood, stond uitgesteld op het kleine Maria-altaar achter in de St. Jozefkerk. Haar beeld hadden we verplaatst tegen de linkerwand, opdat jouw Sacrament kon rusten op de console die Haar anders draagt.
We hadden jouw Sacrament toegezongen met de eeuwenoude regels van het Tantum ergo. Het was stil geworden. Velen hadden inmiddels het kerkje verlaten; meer dan twaalf waren achtergebleven om in deze nacht minstens één uur met Jou te waken en vervolgens om negen uur de zegen met het Allerheiligste te ontvangen.
Niets verbrak de stilte in het schaars verlichte St. Jozefkerkje. Buiten klonk af en toe een puberale, brooddronken schreeuw. Ik zat geknield op de bidstoel die 
Paul midden voor het rustaltaar had geplaatst. Ik sloeg, letterlijk, mijn ogen op.
Ik zag Jou, en Jij zag mij.
‘Ja, Jezus’, dacht ik: ‘Daar zit hij weer. Hij die Jou op deze plek tegenwoordig mag stellen. Hij die Jou aan mensen mensen uitdeelt als het Brood voor hun hart, het Brood dat in hun ziel, hun kern, hun wezen de kiem van eeuwig leven legt.
Daar zit hij, representant van een Kerk met een besmeurd gelaat. Daar zitten wij allen, mensen die samen Kerk zijn, mensen die ons vanwege dit besmeurde gelaat beschaamd voelen, verdrietig, niet zelden boos. Zouden wij ook maar heengaan?
Jij hebt woorden van eeuwig leven, Jezus; sterker: Jij geeft ons jouw eigen Zelf in het teken van het Brood als onderpand van eeuwig leven; maar verliezen jouw woorden niet al hun kracht als zij over bezoedelde lippen komen? En wat blijft er over van jouw sacrament in handen die hebben toegegrepen in verwrongen lust?’
De schemering was tot duisternis verdicht. Tussen de kandelaren zag het Sacrament mij aan.
Het sprak door zijn stilheid.
Het zei:
‘Alles. Alles blijft van Mij over in de handen van falende mensen. Is het meer dan twintig eeuwen lang ooit anders geweest? Was het op die eerste Witte Donderdag anders? Was het, toen Ik de eerste Twaalf uitzocht anders? Het was een zootje, van in den Beginne; en het blijft een zootje. Hoe klein de kerk in West-Europa en met name in de Lage Landen ook wordt: het blijft hetzelfde zootje. De loochenaar en de verrader zijn nooit ver. Hoe moeilijk is het voor een mens om te blijven geloven, te blijven bidden als zelfs je allernaasten al jaren lang een leven leiden waarin God geen enkele stem meer heeft?
Maar wat er ook gebeurt, wie er ook de hielen licht: Ik blijf Dezelfde; en mijn Sacrament blijft Hetzelfde.
Ik ben niet onderworpen aan de onwaardigheid van sommigen die zich christen noemen en dingen doen die die naam besmeuren. En ook mijn Sacrament wordt niet ontkracht door handen die zich aan misbruik hebben bezondigd. Mag Ik het een beetje cru zeggen? Ik ben het gewend om overgeleverd te worden in de handen van zondaars.
En wie kan van zichzelf zeggen dat zij/hij nooit faalt? Jij die hier in je fraaie koormantel voor Mij zit, en die anderen achter jou, en degenen die er vanavond nog wel waren - stralen jullie altijd mijn Licht uit naar alle mensen op jullie levenspad? Kijk naar binnen bij jezelf (niet te lang want dan raak je ontmoedigd), en zie Mij dan in de ogen, en vertrouw op mijn hart, doorstoken op  die eerste Goede Vrijdag. Doorstoken, opdat het open zou staan voor iedere mens, ongeacht wat hij/zij heeft uitgespookt. Als God Zelf grenzeloos liefheeft - wie ben jij, wie 
zijn jullie om aan die Liefde grenzen te stellen?’
Het was op slag van negenen.
Op Belfort hoor je geen klokslag; overigens verstillen op Witte Donderdagavond alle klokken.
Maar de stilheid van het Sacrament zei alles.
Toen ik, stijf in de knieën, opstond om met het Sacrament de zegen te geven, wist ik, hernieuwd:
‘Pasen betekend Leven. Niet alleen voor de mensen van mijn smaak of keuze, maar voor allen. Niemand uitgezonderd.‘
Mede-pelgrims op de vaak weerbarstige weg door dit bestaan: beleef, in die zin, een Zalig Pasen.                                                                                                               
A. van den Berg

VADER, IN UW HANDEN

Sint Jozef heeft zich pas in de twintigste eeuw een zekere mate van populariteit verworven.
In de Middeleeuwen was hij in het kerstspel de onhandige echtgenoot die tijdens Maria’s bevalling de lamp omver loopt. De os en de ezel zijn, dankzij hun warme adem en uitwaseming, de jonge Moeder en haar Kind nog meer van dienst dan hij.
Trouwens - echtgenoot? In de phantasie van het plebs sancta is hij eigenlijk niet meer dan een postseksuele oude baas die wat Maria betreft het nakijken heeft. ‘Zwanger van de Heilige Geest’ - wie laat zich dàt aannaaien?

Jij dus, St. Jozef. En vanaf de achttiende eeuw begint men in te zien dat in die geloofsdaad van jou iets heel anders te zien valt dan alleen maar een zekere Joris Goedbloed-achtigheid. Dat zich in die stilzwijgende aanvaarding van Maria’s zwangerschap als jouw levensopdracht een zekere heldhaftigheid openbaart.
Niet de heldhaftigheid van spierballen (al zul je die als timmerman zeker hebben gehad) maar de heldhaftigheid van een man die na een diepgaande innerlijke worsteling zijn bruid niet opgeeft, ook al is zij buiten zijn toedoen in verwachting geraakt. En als dat inzicht zich meer en meer baan breekt, worden er jongens en meisjes naar jou genoemd en, zij het pas in de twintigste eeuw in ruime mate, ook kerken. En omstreeks 1960 zorgt Paus Johannes XXIII ervoor dat jij onmiddellijk na Maria in de Romeinse canon wordt vermeld, met de toevoeging ‘haar waarachtige bruidegom’.
Jij heet nu ‘Hoeder van het heilig huisgezin’, ‘voedstervader van Jezus’. De evangelist Mattheus omschrijft jou als ‘rechtvaardige’, een ‘zaddiq’ - een benaming waarmee het Jodendom van toen en van nu niet kwistig omgaat.

Wat boeit ons in jou, Jozef, timmerman in dat godvergeten gat Nazareth?
Allereerst: jij bent, zoals Mattheus en Lucas jou beschrijven, een man van weinig, liever gezegd: geen woorden. Een man van stilte. Een weldaad in onze ogen en vooral in onze oren die vandaag de dag tuiten van het gekwaak der blaambekken dat onze media overspoelt.
Een man die, net als jouw naamgenoot onder de twaalf zonen van de aartsvaderJacob, dromen droomt. Geen dromen van macht, zoals die overkwamen aan de Jozef die onderkoning van Egypte zou worden. Maar dromen die jou je levensweg
wijzen. En waarom zou dat de levensweg van een postseksuele oude baas moeten zijn? Waarom niet de levensweg van een dertiger, in de kracht van zijn jaren, een manbare man, die zijn manbaarheid bewijst doordat hij zich niet uitsluitend door zijn onderlijf laat gidsen?
Ja, Jozef: zó word je voor ons een man en een vader van vlees en bloed.
Hoe serieus nemen wij Jezus’ menswording? Hij kwam niet met een goddelijk, aan alles superieur zelfbewustzijn ter wereld.
Hij maakte dezelfde ontwikkeling door als iedere mens-in-wording: Baby, peuter, kleuter, kind, puber, adolescent, volwassene. Als rechtgeaarde Joodse vader heb je Hem het geloof van je voorouders bijgebracht. En niet alleen bijgebracht, maar ook vóórgeleefd. En het feit dat jij je met recht en met reden een afstammeling/een zoon van David kan noemen, heeft gemaakt dat velen Hem zó aanspraken en aanriepen; en het heeft zeker meegespeeld toen Pilatus de reden voor zijn doodvonnis moest omschrijven. Zonder dat ‘zoon van David’ zou nooit boven de gekruisigde de tekst ‘Jezus de Nazarener, de koning der Joden’ hebben gehangen.
Van jou leerde Hij leven en werken. Dankzij jou kon Hij de kwaliteit van hout naar waarde schatten. Heeft Hij daaraan gedacht toen Hij de dwarsbalk van het kruis op zijn schouders kreeg gelegd? En toen Hij om zijn Vader riep, terwijl Hij in doodsangst over de grond kroop in de Hof van Olijven - toen bedoelde Hij God, maar in zijn waarachtige menselijkheid moet Hij jouw vertrouwde gezicht hebben gezien in het donker van de nacht van Witte Donderdag. Heeft Hij toen, in dat duistere uur, zich een moment herinnerd waarop Hij zich als jongen bezeerd had? Hoe jij Hem troostte door je arm om zijn schouders te leggen?
En, sterker nog: in zijn uiterste ogenblik, als Hij uren aan het kruis heeft gehangen, en het donker ziet naderen waarvoor iedere mens terugschrikt - dan zegt Hij: ‘Vader - nu verwacht Ik in dat donker Jouw handen te zien en te voelen’.
Hij doelde op de handen van God, zeker; maar de handen die Hij daarbij concreet voor zich zag - dat waren jouw handen, jouw werkhanden, Jozef. De handen die Hem hadden omvat bij zijn eerste pogingen om te lopen....
Jozef: jij heet ook de patroon van een zalige dood. Omdat, volgens de overlevering, Maria en Jezus aan je sterfbed hebben gezeten, en jouw handen in de hunne hebben gehouden.
Daarom, Jozef: strek nu je vaderlijke handen uit naar allen die de grens  tussen tijd en eeuwigheid hebben te overschrijden.
Op jouw stille manier. 

Sint Jozef: hoed ons, al onze dagen; en ook als onze tijd ophoudt.
Jij wist en jij weet meer dan dat wat onze ogen kunnen zien en onze oren kunnen horen.
Jij wist en jij weet dat liefhebben niet stopt voor de slagboom van de dood.
                                                                                                                                                                    A. van den Berg

ZOEKONTWERP?
= zondag van H. Familie - tevens oudejaarsdag =

Over de toekomst kunnen we tobben wat we willen: zij zal anders zijn.
In mijn landelijke krant prijkte, paginabreed, een photo van een der voetballende vrouwen die in het bijna voorbije jaar ons land bovennationale triomf hebben bezorgd.
Een vrouw met viriel geknipt en gegeleerd haar, met een onzachte kaaklijn, maar met prachtige donkere ogen, voorzien van een ooglijn die aan een Griekse operadiva herinnert, terwijl haar lippen, intensief en bloedrood gestift, ons vitaal tegemoet glanzen.
Het gezicht van iemand die zichzelf opnieuw heeft ontworpen. Een gezicht waarin mannelijk en vrouwelijk met elkaar om de voorrang strijden - een strijd die wellicht levenslang onbeslist blijft en moet blijven.
Een blijvend zoekontwerp.
Zoals men er heden ten dage vele ziet, in allerlei varianten. Mensen die gezichten blijven passen: een typisch puberaal gedrag, ook al wijst hun kalender een veel hogere leeftijd aan.
Wat mij (en u waarschijnlijk ook) opvalt, is het fenomeen van de stagnerende twintiger c.q. dertiger. Een hij of een zij (maar vaker een hij) die een goede leerling en vaak ook nog een goede of zelfs briljante student was, maar die na zijn studie geen maatschappelijke uitmonding vindt. Die blijft steken omdat hij geen toekomst voelt, ziet, ontwaart.
Die al jong in de bedéling terechtkomt.
Voor wie geen perspectief lijkt te wenken.
Twee extremen: enerzijds voortdurend een nieuw gezicht passen, anderzijds je gezicht verliezen. In beide gevallen is de toekomst, en daaraan denken we bij de wende van het jaar, onzeker en onrustbarend.
En sinds twee onrijpe, onvolwassen mensen bluffend spelen met het idee van een nucleaire oorlog, is voor de hele mensheid de toekomst onrustbarend.
Biedt de zondag van de Heilige Familie een perspectief? Een troost? 
Eén ding staat voorop. Dit is niet de zondag van het gezin als hoeksteen van de samenleving. Het heilig huisgezin is bepaald niet het prototype van een ‘normaal’ gezin.
De vader is niet de vader.
De moeder is onder nooit opgehelderde omstandigheden bezwangerd.
Het kind is geboren op de vlucht voor de wereldlijke overheid.
En op een leeftijd waarop andere jongkerels trouwen en een gezin opbouwen, zal deze Zoon zich melden als Gods eerste en Gods laatste Woord, als de Hand die God ons mensen toesteekt. Maar ook Hij moet zijn eigen Persoon en gezicht ontwerpen in een groeiproces dat voor Hem fataal lijkt te eindigen, na 33 jaren, in de dood aan het kruis.
Ook, juist God komt en doet anders dan wij verwachten.
Ja, dat kan een troost zijn. Dat God niet loopt langs lijnen van een platgelopen geleidelijkheid. Dat Hij niet braaf is maar levend, bloedrijk, warmhartig, een steekvlam in de nacht.
Aan zijn altijd verrassende handen vertrouwen wij onze tijden toe.
 
       A. van den Berg
shanice van de sanden.jpg