Paasverhaal door onze communicanten

 

1. DE INTOCHT IN JERUZALEM
Verteller:    
Wat is het druk op de weg! Het is bijna Pasen. Alle Joden gaan dan naar Jeruzalem. Jezus gaat                      ook, samen met zijn twaalf vrienden. Zij willen net als de anderen het Paasfeest vieren. Dan                            denken alle Joden aan de tijd dat hun volk in Egypte was. Dat ze keihard moesten werken voor                      de koning van Egypte. Maar vooral denken ze aan de nacht waarin God hen uit Egypte heeft                          bevrijd. Als ze dichtbij Jeruzalem komen roept Jezus Johannes en Jacobus.Jezus:  Zien jullie daar die ezel staan? Maak hem los en breng hem hier.
 
Verteller:
De beide broertjes doen wat Jezus zegt. De baas van de ezel ziet wat ze doen. Hij roept:

Baas: Wat doen jullie daar?

Johannes en Jacobus:   
Onze Meester heeft hem nodig. Maar we brengen hem terug.
 
Verteller:     
Jezus gaat op de ezel zitten. Mensen plukken palmtakken van de bomen en wuiven ermee.                             Anderen leggen hun mantels op de weg om de ezel daar overheen te laten lopen. Eerst roepen een paar, dan roept iedereen:
 
Allen:           
Hosanna! Hoera voor Jezus! Hij komt ons bevrijden van de Romeinen! Hosanna!
 
Verteller:     
Jezus schudt het hoofd. Er staan tranen in zijn ogen. Hij komt in de tempel, het Grote Huis van God, waar alle Joden komen bidden. Jezus springt van de ezel. Hij pakt een stuk touw en jaagt alle kooplui uit de tempel.
 
Jezus:         
Weg jullie! Maak van het Huis van mijn Vader geen markt!
 
Verteller:     
De Hogepriester hoort en ziet wat Jezus doet. Hij is de Grote Baas van de tempel.
Hij wordt woedend. Wat denkt die Jezus wel! Hij is de Baas van de tempel. En hij verdient goed aan de handel op het tempelplein. Hij zegt tegen een andere priester:
 
Hogepriester:
Vanavond komen we bij elkaar. Dan praten we over die Jezus. Hij moet zijn mond houden!
 
Verteller:    
Jezus gaat de stad weer uit. Johannes en Jacobus brengen de ezel terug bij zijn baas. Maar Judas, een van de twaalf vrienden, staat stil. Hij denkt diep na.
 
Judas:         
Jammer, Jezus! Waarom ben je niet gaan vechten? We zouden je allemaal geholpen hebben! Zo wordt het nooit wat met onze bevrijding!
2. HET VERRAAD VAN JUDAS
Verteller:    
Judas loopt terug naar de Stad. Hij maakt een plan.
 
Judas:         
Ik ga ervoor zorgen dat Jezus wel mòet gaan vechten! En dan zullen ze zien hoe sterk hij                                 is! Wat een macht hij heeft! En dan maken ze hem koning! En dan gaan de Romeinen op de loop!
 
Verteller:     
Het is avond. Het wordt donker. Maar in de tempel brandt licht. Judas klimt de trap op.                                      Hij weet in welke kamer de Hogepriester en de andere priesters altijd bij elkaar komen. Hij haalt diep adem.
Hij is nu toch wel een beetje zenuwachtig. Wat gaat hij doen? Gaat hij praten met de vijanden                          van Jezus? Hij is toch een van de Twaalf Vrienden? Judas haalt weer diep adem. Dan klopt hij op de deur. Eerst zachtjes. Te zacht. Niemand hoort hem.. Hij klopt harder. Nog gaat de deur niet open.
Dan bonkt hij driemaal met zijn vuist op de deur.
 
Hogepriester:
Binnen!
 
Verteller:     
Alle priesters zwijgen. Ze kijken gespannen naar de deur. Judas staat op de drempel. 
 
Hogepriester:
Wie hebben we daar?!?
 
Judas:         
Ik ben een van de Twaalf Beste Vrienden van Jezus. Zal ik zeggen waar hij meestal is?
Zal ik hem jullie in handen spelen?
 
Hogepriester:  
Je komt als geroepen. We hadden het net over hem. We moeten zorgen dat hij zijn mond houdt. Help ons hem te vinden!
 
Judas:         
Graag! 
 
Hogepriester:
Maar je doet het natuurlijk niet voor niks!
 
Judas:         
Alles heeft zijn prijs.
 
Hogepriester:
Hoeveel vraag je?
 
Judas:         

Dertig zilverstukken.

Verteller:    
Het is inmiddels helemaal donker.
 
3. HET LAATSTE AVONDMAAL
Verteller:    
Het wordt donderdag. De Twaalf Vrienden vragen:
            
Allen:          
Jezus, waar gaan we het Paasmaal vieren?
            
Jezus:         
Bij de vader van Marcus. Johannes en Jacobus, jullie weten waar hij woont.
We krijgen zijn mooie bovenzaal. Als jullie nou eens alles klaarzetten voor vanavond.
Na zonsondergang komen we. Wacht,jullie moeten natuurlijk geld hebben om een Paaslam te kopen.
Judas, jij bent de penningmeester. Jij hebt de kas.
 
Verteller:    
Judas pakt zijn beurs.
            
Johannes:    
Zo te horen zit er veel in. Meer dan anders.
 
Judas:         
Ik heb gespaard. Ik ben zuinig geweest.
 
Verteller:    
Johannes en Jacobus kopen een Paaslam en laten het slachten in de tempel.
Dan gaan ze naar het huis van de vader van Marcus, een kennis van Jezus. In de ruime bovenzaal maken ze alles klaar voor het Paasmaal. Nadat de zon is ondergegaan komen Jezus en de andere Vrienden. Bij de deur staat een kan water en een grote bak. Er ligt ook een handdoek. Dat alles is bedoeld om de voeten, vuil van de stoffige weg, te wassen.
Maar er is geen slaaf om dit werkje te doen. Petrus plaagt:
 
Petrus:        
Johannes, is dat geen karweitje voor jou? Jij bent tenslotte de jongste!
 
Johannes:    
Ik ben geen slaaf!
             
Verteller:    
Ze gaan alle twaalf met vuile voeten aan tafel. Dan komt Jezus binnen. Hij bindt de handdoek voor, hij neemt de kan in de ene en de bak in de andere hand en hurkt neer bij een van de Twaalf om hem de voeten te wassen.   Alle Twaalf krijgen een kleur. Wordt de  Meester nu een slaaf die hun de voeten wast?  Ze zeggen niks. Behalve Petrus!
 
Petrus:        
Jezus, moet jij mij de voeten wassen? Nooit!
 
Jezus:        
Petrus – als ik jou de voeten niet was, hoor je niet bij mij.
 
Petrus:        
Dan niet alleen mijn voeten, maar ook m’n handen, en m’n hoofd!
 
Jezus:         
Je hebt net een bad genomen. Je bent dus voor de rest schoon. Jullie zijn schoon, hoewel niet allemaal….
 
Verteller:    
Als Jezus alle voeten heeft gewassen, gaat Hij aan tafel. Hij breektbrood, doopt het in de schaal met saus en geeft aan iedereen een  stuk door. Opeens zegt hij:
 
Jezus:         
Een van jullie hier, een van jullie die met mij het brood in de schaal doopt, zal mij verraden.
 
Verteller:    
Allen schrikken. Allen roepen:
 
Allen:          
Ik toch niet, Heer?
 
Verteller:    
Judas maakt van schrik zo’n beweging dat het geld rammelt in zijn beurs. Hij buigt zich naar Jezus en vraagt:
 
Judas:         
Ben ik het, meester?
 
Jezus:         
Je zegt het.
          
Verteller:    
Dan neemt Jezus een nieuw stuk brood, dankt God, en breekt het brood, en reikt het aan de Twaalf Vrienden terwijl hij zegt:
 
Jezus:         
NEEMT EN EET HIERVAN, GIJ ALLEN, WANT DIT IS MIJN LICHAAM DAT VOOR JULLIE WORDT GEGEVEN.
 
Verteller:    
Nadat zij gegeten hebben, neemt Jezus de kelk met wijn, hij dankt God en reikt hun de kelk, waarbij hij zegt:
 
Jezus:         
NEEMT DEZE BEKER EN DRINKT HIER ALLEN UIT, WANT DIT IS DE BEKER VAN HET NIEUWE, ALTIJDDURENDE VERBOND.  DIT IS MIJN BLOED DAT VOOR JULLIE EN VOOR ALLEN WORDT VERGOTEN TOT VERGEVING VAN DE ZONDEN.
BLIJFT DIT DOEN OM MIJ TE GEDENKEN.
          
Verteller:    
Nadat Judas gedronken heeft, veegt hij zijn mond af en staat op van tafel. Weer rammelt het geld in zijn portemonnee. Jezus zegt:
 
Jezus:         
Judas, wat je wilt gaan doen, doe dat maar gauw!
 
Verteller:    
Judas zegt in zichzelf:
 
Judas:         
Zie je wel! Hij snapt me! Hij wil ook dat het snel gebeurt!
 
Verteller:    
Het is helemaal donker buiten. 
 
4. IN DE HOF VAN OLIJVEN
Verteller:
Een uur later zijn Jezus en de elf overgebleven vrienden buiten. In een tuin, een hof met veel olijfbomen. Jezus draait zich om en kijkt de vrienden aan. Doordat de maan schijnt zien zij dat er ranen glinsteren in zijn ogen. Jezus zegt:
 
Jezus:         I
k ben doodsbang  voor wat er gaat gebeuren. Ik loop even verder, om te bidden. Blijven jullie maar hier…. Of nee: Petrus, Johannes en  Jacobus! Komen jullie met mij mee?
 
Verteller:    
Iets verderop valt Jezus met zijn gezicht voorover op de grond. Hij bidt tot God, zijn Vader.
 
Jezus:        
Vader, hoeft het misschien toch niet te gebeuren? Ik ben zo bang…. Maar toch: het gaat om wat U wilt.
 
Verteller:    
Jezus komt overeind en strompelt naar Petrus, Johannes en  Jacobus. Ze zitten alle drie te                    slapen. Jezus stoot Petrus aan.
 
Jezus:        
Kunnen jullie nou niet even met mij wakker blijven?
 
Verteller:    
Jezus gaat weer naar de plek waar hij zojuist bad. Hij bidt met dezelfde woorden. Hij komt opnieuw bij de drie vrienden. En weer slapen ze. Voor de derde keer bidt Jezus in doodsangst tot z’n Vader.  Als hij weer bij Petrus en de beide broers komt, zegt hij:
 
Jezus:        
Wakker worden! Ga op allebei je voeten staan! Hij die mij verraad komt eraan….
 
Verteller:    
Daar komt Judas! Judas heeft niet geslapen. Hij heeft van de Hogepriester mannen  meegekregen van de Joodse ordedienst, een soort politie die op de Tempel moet passen. Ze hebben wapens bij zich, lampen en fakkels. Judas fluistert tegen de wachters:
 
Judas:        
Ik loop naar de Man die jullie moeten hebben. Ik geef hem een vriendelijke kus. En dan moeten jullie hem grijpen!
 
Verteller:    
Hij loopt naar Jezus en zegt:
 
Judas:        
Dag, Meester!
 
Verteller:    
En dan kust hij Jezus op de wang.
Jezus antwoordt:
 
Jezus:        
Judas, verraad je mij met een kus? 
 
Verteller:    
De wachters grijpen Jezus. Petrus grijpt een zwaard en slaat daarmee op hen in. Maar ze houden Jezus stevig in hun greep. Jezus zegt:
 
Jezus:        
Steek dat zwaard weg. Wie het zwaard pakt, komt door het zwaard om. Dit is hun uur. Het uur van de duisternis, Het uur van de kwade macht….
 
5. DE VERLOOCHENING DOOR PETRUS

Verteller:    

Jezus is naar de Hogepriester gebracht. Die woont in een paleis. Dat paleis is gebouwd rondom een binnenplaats. Op de binnenplaats brandt een kolenvuur.  Daar staan de wachters omheen en warmen hun handen. Petrus is ook meegeslopen. Hij kan vanaf zijn plek alles zien en horen. De Hogepriester vraagt aan Jezus:
 
Hogepriester:       
Er is veel over jou verteld. Ze zeggen dat je wonderen kunt doen. Mensen genezen. Mensen in het leven terug roepen.  Mensen die al dood waren, al drie dagen in het graf lagen…. Wat ben jij, Jezus?
 
Verteller:    Jezus zwijgt.
 
Hogepriester:       
Wie ben jij, Jezus?
 
Verteller:    
Jezus zwijgt. De Hogepriester staat op van zijn stoel.
 
Hogepriester:       
Geef antwoord, Jezus, in de Naam van God! Ben jij de Koning die van God komt? Ben jij de Zoon van God? De Zoon van de levende God? Geef antwoord, Jezus!
 
Verteller:    J
Jezus zegt:
 
Jezus:         
U zegt het zelf, Hogepriester! U zult mij zien zitten aan Gods rechterhand.
 
Hogepriester:       
Dat màg geen mens van zichzelf zeggen! Hij lastert God! Jullie hebben het allemaal gehoord! Wat zeggen jullie?
 
Allen:          
Hij moet sterven!
 
Verteller:    
De wachters gooien een doek over Jezus’ hoofd en geven hem klappen.  Eén wachter denkt dat hij leuk is. Hij geeft Jezus een stomp en zegt:
 
Wachter:    
Wou je godje spelen, Jezus? Dan kun je toch wel door die doek heen kijken? Wie heeft jou gestompt? Wie? Hè?
 
Verteller:    
Jezus zwijgt. 
Petrus heeft koude handen. Hij strekt ze uit naar het kolenvuur. Het licht van het vuur strijkt over zijn gezicht. De vrouw die op de poort van het paleis moet letten ziet hem.
 
Portier:      
Aha! Jij hoort ook bij die man, bij die Jezus! 
 
Petrus:       
Mens, schiet op! Ik weet niet over wie je het hebt.
 
Portier:       
Je praat anders wel hetzelfde dialect als hij!
 
Petrus:       
Ik kèn die man niet eens!
 
Verteller:    
Petrus probeert er tussen uit te knijpen. Maar een wachter houdt hem tegen.
 
Wachter:    
Heb ik jou daarnet niet in de tuin gezien, waar we hem oppakten?
 
Petrus:        
Ik mag ter plekke doodvallen als ik die vent ken!
 
Verteller:    
Dan kraait de haan van de hogepriester. De doek glijdt van Jezus’ hoofd en hij kijkt Petrus aan.
En Petrus kijkt Jezus aan. De Vriend die hij verloochend heeft.
En Petrus begint te huilen.

         

6. JEZUS VOOR PILATUS
 
Verteller:    
Pilatus is een Romein. Een hoge piet. Namens de keizer van Rome is  hij de baas over het Joodse volk. Ze haten hem en zijn soldaten. Pilatus is keihard, streng en wreed. Hij heeft al veel mensen laten doden.
Vroeg in de morgen (het is al vrijdag) gaan de Hogepriester, de andere priesters van de Tempel, met Jezus in hun midden, naar Pilatus toe. Hij woont in de hoge en sterke burcht die over heel Jeruzalem uitziet.
Judas ziet het groepje gaan. Hij denkt hardop:
 
Judas:         
Waarom nou Jezus? Waarom heb je ze niet laten zien dat jij Gods  Zoon bent? 
Wil je ècht dood? Dan wil ik ook niet langer leven!
 
Verteller:    
Hij smijt de beurs met dertig zilverstukken naar de Hogepriester.
 
Judas:         
Ik wìl dat bloedgeld niet!
 
Hogepriester:       
Dan niet.
 
Verteller:    
Judas grijpt hem bij zijn arm.
 
Judas:        
Ik heb een vriend verraden!
 
Hogepriester:       
Tja. Dat moet jíj weten.
 
Judas:        
Ik kan niet verder leven!
 
Verteller:    
De Hogepriester haalt zijn schouders op. Hij moet naar Pilatus. Pilatus laat hem en zijn groep extra lang wachten. Hij laat hen voelen dat híj de macht heeft.
 
Pilatus:        
Wat is er aan de hand?
 
Hogepriester:       
Deze man, Jezus heet hij, is een gevaar. Hij zegt dat hij de Zoon van God is.
 
Pilatus:        
Goden zijn geen gevaar. Goden zitten in de hemel.
 
Hogepriester:       
Hij zegt dat hij van David afstamt. David was onze grootste koning.  Hij wil zichzelf uitroepen tot de Koning die van God komt.
 
Pilatus:        
Dat verandert de zaak. Een koning is een gevaar. De keizer houdt niet van koningen. Kom eens mee naar binnen, Jezus.
 
Verteller:    
Pilatus kijkt Jezus scherp in de ogen.
 
Pilatus:        
Ben jij een koning? 
 
Jezus:         
Koning ben ik. Maar mijn koninkrijk is niet van de aarde. Mijn koninkrijk is het koninkrijk van de waarheid.  
 
Pilatus:        
Oh, dat kan geen kwaad. Wat is waarheid?
 
Verteller:    
Pilatus komt weer naar buiten. Hij zegt:
 
Pilatus:        
Ik vind niks verkeerds in hem.
 
Hogepriester:       
O, nee? Weet u dan niet dat die Jezus de mensen opstookt om geen belasting te betalen aan de keizer?
 
Verteller:    
Pilatus’ gezicht verandert.
 
Pilatus:        
Dan is hij dus echt een opstandeling. Een gevaar voor Rome…. Ik zal hem laten geselen.
 
Verteller:    
Soldaten geselen Jezus met zwepen op zijn blote rug. Ze zetten hem een krans van dorens  op zijn hoofd. Ze buigen spottend voor hem. Ze roepen:
 
Allen:          
Gegroet, koning van de Joden!
 
Verteller:    
Als Pilatus Jezus ziet, zegt hij:
 
Pilatus:        
Zie de mens…. Hij lijkt me niet kwaad. Moet hij echt dood?
 
Hogepriester:       
Als u iemand die zich koning noemt, niet laat doden, bent u geen vriend van de keizer!
 
Verteller:    
Pilatus schrikt. Hij zegt:
 
Pilatus:        T
Doe dan maar. Laat hem dan maar de dood van een opstandeling sterven.
Dus: de dood aan een kruis.
 
Hogepriester:       
Yes!
 
Pilatus:        
Maar breng mij een schaal en een kan met water en een handdoek. 
Ik was mijn handen in onschuld….
 
Hogepriester:       
Wij nemen die schuld wel op ons!
 
7. JEZUS DRAAGT ZIJN KRUIS

Verteller:    

Daar gaat de stoet. Er lopen soldaten voor en achter Jezus. De hoofdman zit te paard. Jezus moet zelf de dwarsbalk van het kruis dragen. De lange balk sleept achter het paard van de hoofdman aan.
Maar die dwarsbalk is zwaar genoeg…. Oei, daar gaat het al mis! Jezus valt voorover. De hoofdman stopt.
 
Hoofdman:   
Hij is al half dood, geloof ik.
 
Verteller:    
Een van de soldaten geeft Jezus een schop. Maar hij staat niet op.
 
Hoofdman:   
Geef hem een slok van onze soldatenwijn.
 
Verteller:    
Een soldaat houdt Jezus zijn wijnkruik voor. De geur brengt Jezus bij bewustzijn. Hij drinkt echter niet. Hij probeert overeind te krabbelen. Hij staat te zwaaien op zijn benen. De hoofdman kijkt om zich heen.

 

Hoofdman:   
Is er niemand die zijn kruis voor hem kan dragen?
 
Verteller:    
Iedereen doet een stap achteruit. Behalve een. Een man uit Noord-Afrika. Uit Cyrene.
 
Hoofdman:   
Hoe heet je?
 
De man uit Noord-Afrika:         
Simon.
 
Hoofdman:   
Wel, Simon: jij lijkt me breed en sterk. Draag dat kruis voor hem. Voor de koning der Joden! Haha!
 
Verteller:    
Simon zegt niets. Hij pakt de balk op en loopt naast Jezus. Om Jezus’ hals bungelt een plankje, aan een touw. Daarop staat met grote letters: Jezus van Nazareth, de koning van de Joden. De hogepriester leest het en wordt woedend.
 
Hogepriester:       
Wel nou nog mooier! Nou zullen ze denken dat dit ècht onze koning is!
 
Verteller:    
De hoofdman haalt zijn schouders op. De stoet loopt door. Och, daar gebeurt wéér wat. Een vrouw holt naar Jezus toe, en droogt  zijn bebloede en bezwete gezicht af met een schone linnen doek. De afdruk van zijn gezicht blijft op de doek achter. Zij verdwijnt weer tussen de mensen. Maar er zijn méér mensen die Jezus niet uitlachen en uitschelden. Hoor maar! 
Een vrouw: Moet je toch eens kijken! Ocherm! Dat is nou de zelfde Jezus voor  wie ze een paar dagen geleden ‘Hosanna’ riepen

Een andere vrouw: Ik begrijp niet waarom ze hèm hebben opgepakt….

Verteller:    
Nu zijn ze bij een kale berg. Die lijkt sprekend op de schedel van een mens.
Daarom heet hij ook Golgotha, ‘schedel’ in het Hebreeuws.                
Daar pakken de soldaten de dwarsbalk van Simons schouders. Ze timmeren die vast op de lange balk. Dan strekken ze Jezus op het kruis.

 

8. JEZUS AAN HET KRUIS
Verteller:    
Samen met Jezus worden er nog twee gekruisigd. Die schelden en vloeken wèl. Althans: een van hen. De andere roept hem toe:
 
De andere:  
Hé, hou eens op! Wij krijgen wat we verdiend hebben, want wij zijn  zware jongens, dat weet iedereen. Maar deze man heeft niets gedaan.
 
Verteller:    
Hij draait zijn hoofd naar Jezus toe. Hij vraagt:
 
De andere:  
Jezus, denk je aan mij als jij in je koninkrijk komt….?
 
Verteller:    
En Jezus antwoordt:
 
Jezus:         
Vandaag nog ben je met mij in het paradijs!
 
Verteller:    
Ach, daar komt ook Maria! Ze leunt op de arm van Johannes. Ze komen tot vlakbij het kruis. Jezus ziet zijn moeder en Jezus  ziet zijn vriend. Jezus zegt tegen Maria:
 
 
Jezus:         
Johannes is voortaan je zoon.
 
Verteller:    
En tegen Johannes zegt hij:
 
Jezus:         
Maria is van nu af aan jouw moeder.
 
Verteller:    
Ondanks dat het midden op de dag is, wordt het donker en donkerder. De zon geeft geen licht meer. De mensen worden bang. Ze durven niet meer te schelden of te lachen. Dat duurt drie volle uren. En dan kan Jezus het niet langer houden. 
Hij roept:
 
Jezus:         
Mijn God, mijn God, waarom heb Jij mij verlaten?
 
Verteller:    
De soldaten verstaan Jezus niet. 
Jezus kreunt:
 
Jezus:         
Ik heb zó’n dorst….
 
Verteller:    
De hoofdman pakt een spons, dompelt die in de emmer met de soldatenwijn en duwt de spons tegen Jezus’ droge mond. En dan zegt Jezus:
 
Jezus:         
Het is volbracht.
 
Verteller:    
Nu begint Jezus te hijgen. Maar hij krijgt er toch nog één zin uit:
 
Jezus:         
Vader, het wordt donker. Ik vertrouw dat in het donker jouw handen mij zullen vinden en dragen.
 
Verteller:    
Dan buigt Jezus het hoofd en geeft de geest.
(Wij zijn allemaal een moment stil.)
 
Verteller:    
Op het moment dat Jezus sterft, beeft de aarde. Veel mensen  schreeuwen van schrik en angst. Maria staat recht, een arm om Johannes heen. De hoofdman kijkt naar Jezus.
 
Hoofdman:   
Hij was een zoon van God.
 
9. JEZUS WORDT IN HET GRAF GELEGD.
 
Verteller:    
Het wordt avond. Twee mannen uit Jeruzalem, die Jezus goed hebben gekend, komen met een ladder om zijn lichaam van het kruis te halen. Zij willen hem netjes begraven in een nieuw graf. Een van de twee heeft dat laten uithouwen in de rots waar zijn tuin op uitloopt. Maria, Jezus’ moeder, is erbij. Johannes helpt de mannen mee. Maria Magdalena die ook bij de kring van Jezus hoort, heeft een grote linnen doek bemachtigd. Daar wikkelen ze het lichaam van Jezus in. Johannes wil niet huilen (hij is tenslotte een grote jongen),  maar hij schokt helemaal.
 
Een van de twee mannen:
33 jaar. Het is geen leeftijd.
 
De andere:
En we verwachtten zoveel van hem.
 
Maria Magdalena:
Hij heeft mij gered. Toen die deftige heren van de Tempel mij  met stenen wilden doodgooien, heeft híj het voor mij opgenomen.
 
Johannes:    
Die heren van de Tempel zijn schoften! Ik zàl ze!
 
Maria:         
Wàt zul jij, Johannes? Gisternacht ben je toch ook gevlucht? (Jezus’ moeder)
 
Verteller:    
Johannes krijgt een kleur. De drie mannen en de twee vrouwen dragen Jezus naar de tuin waar het nieuwe graf ligt. De maan komt op en beschijnt hun pad. Als Jezus in de rotskamer is neergelegd, strijkt het licht van de maan precies over zijn voeten. Maria, (Jezus’ moeder) zegt:
 
Maria:         
Dat is de maan van Pasen. Morgen zal het Pasen zijn.
 
Verteller:    
De mannen rollen een zware steen voor de rotskamer.
 
Maria:         
Geen steen houdt God tegen.
 
Verteller:    
Het licht van de maan blijft schijnen op de steen.